Vygotsky en sociale cognitie
Definitie
Het sociaal cognitief leermodel stelt dat de cultuur dè bepalende factor is van individuele ontwikkeling. Mensen kenmerken zich
door het ontwikkelen van culturen en elk kind ontwikkelt zich in de context van zo’n cultuur. Hierdoor wordt de ontwikkeling van een kind in grote en kleine mate beïnvloed door die cultuur – inclusief de gezinscultuur – waarmee hij of zij is vergroeid.
Discussie/bespreking
- Cultuur draagt op twee manieren bij aan de intellectuele ontwikkeling van een kind. Ten eerste: door middel van ‘cultuur’ verkrijgen kinderen de ‘inhoud van hun denken’ (the content of their thinking), dit wil zeggen hun kennis. Ten tweede: de cultuur om het kind heen verschaft het kind de processen of middelen waarmee het denkt. Dit noemen Vygotskianen de middelen/gereedschappen van intellectuele aanpassing (the tools of intellectual adaptation). Samengevat: het sociaal cognitief leermodel stelt dat cultuur kinderen leert wat het denkt en hoe het denkt.
- Cognitieve ontwikkeling is het resultaat van een dialectisch proces waarbij het kind leert door middel van probleem-oplossende ervaringen die hij/zij deelt met een ander. Vaak een ouder of een leraar, maar ook een broer/zus of leeftijdsgenoot.
- In eerste instantie neemt de interacterende persoon de (meeste) verantwoordelijkheid op zich voor het leiden van het probleem-oplossen. Stapsgewijs wordt deze verantwoordelijkheid over gedragen aan het kind.
- Taal is een primair middel waarmee de volwassene het kind inwijdt in de enorme rijkdom aan kennis die bestaat in de cultuur.
- Al naar gelang het leren vordert, gaat het kind zijn eigen taal steeds meer gebruiken als middel van zijn intellectuele aanpassing. Uiteindelijk zal het kind de geïnternaliseerde taal gebruiken om zijn eigen gedrag te sturen.
- Internalisatie verwijst naar het leren (en daarmee altijd internaliseren) van de kennis en gereedschappen die in eerste instantie buiten, in de omgeving van het kind aanwezig zijn. Dit gebeurt met name door middel van taal.
- Er bestaat een verschil wat een kind zelf kan doen en wat een kind met behulp van een ander kan doen. Vygotskianen noemen dit verschil de zone van de naaste ontwikkeling.
- Omdat een kind leert aan de hand van zijn omgeving en veel van zijn probleemoplossend vermogen leert door middel van een ouder (mediatie), is het verkeerd om je te focussen op een kind alleen, los van zijn omgeving. Zo’n manier van kijken brengt niet de processen aan het licht waarmee kinderen nieuwe vaardigheden verkrijgen.
- Interactie met de omgeving en sociale actoren, zoals ouders en competentere leeftijdsgenoten, leveren een significante bijdrage aan de intellectuele ontwikkeling van het kind.
Consequentie van Vygotsky voor het leren
- Curriculum:
omdat kinderen leren door middel van interactie, moet het curriculum gericht zijn op het benadrukken van interactie tussen leerders en hun leeropdrachten. - Instructie:
Met adequate hulp van volwassenen, kunnen kinderen opdrachten vervullen waartoe zij alleen niet in staat zijn. Ondersteuning waarbij de volwassene continu zijn hulp aanpast aan het prestatieniveau van het kind, is dan ook een effectieve vorm van lesgeven (het zgn. steiger-leren). Steiger-leren levert niet alleen directe resultaten op maar internaliseert ook de vaardigheden die nodig zijn om in de toekomst zelfstandig en onafhankelijk problemen/opdrachten te kunnen oplossen. - Testen/assessments:
Testmethodes dienen rekening te houden met de zone van naaste ontwikkeling. Wat een kind alleen kan, is het huidige ontwikkelingsniveau en wat het kan met hulp van een ander is zijn potentiële ontwikkelingsniveau. Twee kinderen kunnen hetzelfde ‘huidige’ ontwikkelingsniveau hebben maar met de juiste hulp kan het ene kind mogelijk veel meer opdrachten voltooien dan het andere kind. Assessmentmethodes moeten als doel hebben zowel het huidige als het potentiële ontwikkelingsniveau te onderzoeken.




